
Duurzaam bouwen sleutel voor Vlaamse economie
Voor de duurzame ontwikkeling van Vlaanderen heeft de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) een algemene economische strategie ontwikkeld onder de naam 'eco-Keynes'. De VCB geeft hiermee aan hoe de groene bouweconomie de ganse Vlaamse economie kan versterken. Heel wat facetten van deze strategie komen overeen met de doelstellingen van Vlaanderen in Actie (ViA). Met de steun van de Vlaamse overheid in het kader van ViA heeft de VCB onder de titel ‘Ecobuild 2010’ een aantal infoavonden georganiseerd voor een ruim publiek van zowel aannemers als docenten, studenten, leraars en andere geïnteresseerden.



De Britse economist John Maynard Keynes beklemtoonde het belang om in crisistijden de publieke investeringen op te trekken. Maar zijn beleid had enkel tot doel de laagconjunctuur te bestrijden en op korte termijn het aantal jobs te behouden. De VCB daarentegen bepleit een ‘eco-Keynesiaans’ beleid. In crisistijden blijft het belangrijk de overheidsinvesteringen aan te zwengelen maar deze investeringen moeten meer dan voorheen gericht zijn op een structureel herstel en op duurzame jobs. Zij moeten bijvoorbeeld door de (co)financiering van bodemsaneringsoperaties gronden definitief voor nieuwe bestemmingen herwinnen, tot duurzame gebouwen leiden die op langere termijn onze onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen, en het spaarzaam omgaan met de almaar schaarsere grondstoffen bevorderen.
“We willen van Vlaanderen een groen stedengewest maken. We willen ruimte winnen door bijvoorbeeld verlaten bedrijventerreinen te hergebruiken. We bouwen de bestaande elektriciteitsnetten om tot ‘smart grids’. We nemen ook de nodige maatregelen om de doelstellingen voor energie-efficiëntie, warmtekrachtkoppeling en hernieuwbare energie te realiseren. We richten ons op een groene groei. Het afvalbeleid verruimen we tot een duurzaam materialenbeleid”: dat is slechts een greep uit de doorbraken die de Vlaamse regering met ViA wil realiseren. Een groot aantal van deze doelstellingen komen overeen met de stellingen die de VCB verdedigt in het kader van haar eco-Keynesiaanse strategie.
Hoe belangrijk bodemsanering is voor de ontwikkeling van onze steden, blijkt uit de situatie in Oost-Vlaanderen. In deze provincie werden intussen al ongeveer 850 bodemsaneringsprojecten ingediend. Maar liefst 200 van deze projecten situeren zich in Gent en nog eens circa 250 in de zes overige grotere steden van de provincie. Bodemvervuiling is dus grotendeels een stedelijk fenomeen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat precies de Gentse regio een concentratie kent van CGR’s (Centra voor Grondreiniging) en TOP’s (Tussentijdse Opslagplaatsen) voor grond.
De bodemsaneerders draaien nu jaarlijks een omzet van ongeveer 300 miljoen euro. Maar de financiële inbreng van OVAM (de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij) is relatief gering. Het budget van OVAM voor ambtshalve saneringen bedraagt slechts 30 miljoen euro per jaar en staat nu door de begrotingsperikelen van de Vlaamse regering verder onder druk.
Marc Dillen, directeur-generaal van de VCB: “De sector krijgt haar opdrachten dus grotendeels vanuit de private sector. Het komt er dan ook op aan instrumenten te ontwikkelen die de private saneringsopdrachten stimuleren. De VCB heeft intussen een systeem van publiek-private samenwerking (PPS) uitgedacht, met name San-Invest, dat vooral nuttig zal zijn bij zwaar vervuilde terreinen die na de sanering opnieuw worden bebouwd. Tevens heeft de VCB de nieuwe dienst Immoterrae opgericht waardoor kopers zich kunnen indekken tegen risico’s bij de aankoop van verontreinigde terreinen.”
Een andere belangrijke nieuwe sector in de bouw betreft de recyclage van bouw- en sloopafval. Ongeveer tien jaar geleden produceerden de Vlaamse breekinstallaties jaarlijkse amper 600.000 ton gecertificeerde granulaten. Deze productie is intussen toegenomen tot 11 miljoen ton per jaar. In Vlaanderen wordt nu ongeveer 90% van al het bouw- en sloopafval gerecycleerd. In gans het gewest zijn nog slechts zes stortplaatsen voor inerte afvalstoffen beschikbaar maar al ongeveer 200 breekinstallaties. In de toekomst zal het moeilijk worden om het recyclagepercentage nog verder op te trekken. De belangrijkste uitdaging voor de sector bestaat erin voor de gerecycleerde granulaten tot hoogwaardigere toepassingen te komen.
Een belangrijk instrument daartoe is het selectief slopen. In dat geval worden de verschillende afvalstromen van bij de sloop (m.a.w. van bij de bron) van elkaar gescheiden. Vanaf dan wordt het ook mogelijk een ketenbeheersysteem uit te bouwen van afvalstof tot nieuw bouwproduct. Zo kan de sector voor haar bouwafval een ‘wieg-tot-wieg’-aanpak realiseren. Maar om selectief te kunnen slopen is het belangrijk dat de opdrachtgever eerst alle aanwezige afvalstoffen inventariseert. Het Vlarea (Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer) legt zo’n inventaris op voor sloop- en ontmantelingswerken aan bedrijfsgebouwen vanaf 1.000 m³. Maar deze regel wordt nog onvoldoende toegepast.
Ook rond de uitvoering van energiebesparende investeringen en projecten met hernieuwbare energie zijn in de bouw nieuwe marktniches ontstaan. In het kader van haar ViA-project filmde de VCB reportages over een Vlaamse producent van een nieuwsoortige hoog-rendementsbeglazing waarbij de binnenruit uit een onzichtbaar filterdun metaallaagje bestaat, over een firma die zich toelegt op het aansluiten van groene energiecentrales op het distributienet, over een HVAC-firma die de warmte van koelinstallaties recupereert om de ruimte te verwarmen, over een producent van lichtgewichtvloeren die deze vloeren nu aanwendt voor betonkernactivering, over een boorder van geothermische putten ten behoeve van warmtepompen en over een firma die zich specialiseert in het na-isoleren van oudere gevels die wel over een spouw maar nog niet over muurisolatie beschikken.
Terwijl ongeïsoleerde huizen van voor 1945 per jaar nog 15 ton CO2 uitstoten, is deze uitstoot bij E100-woningen gedaald tot 4 ton en daalt zij bij passiefwoningen tot ongeveer een halve ton. Ten gevolge van de energieprestatieregelgeving is in Vlaanderen op enkele jaren tijd – van 2004 tot 2009 – de gemiddelde isolatiedikte fors gestegen: bij buitenmuren van 53 tot 70 mm (bij gebruik van minerale wol), bij platte daken van 76 tot 106 mm en bij hellende daken van 114 tot 158 mm. Naarmate steeds meer laag energiewoningen op de markt komen, zal de isolatiedikte nog exponentieel toenemen.
Volgens de recentste statistieken van het VEA (Vlaams Energieagentschap) zijn 8,5% van de nieuwe huizen en 4,8% van de nieuwe flats laag energie gebouwen, d.w.z. dat hun energiepeil lager ligt dan E60. Het Vlaams regeerakkoord stelt reeds tegen 2012 een E60-peil als maximum voorop voor alle nieuwe woningen. Los van de vraag of deze doelstelling op zo’n korte termijn realistisch is, is het belangrijk een visie op lange termijn te ontwikkelen. Welke energiebesparing willen wij bereiken tegen bijvoorbeeld 2020?
Van cruciaal belang in dit verband is de volledig herziene Europese richtlijn op de energieprestaties van gebouwen. Deze richtlijn stelt als volgt: “Member States shall ensure that by 31 December 2020 all new buildings are nearly zero-energy buildings.” Verder definieert de nieuwe richtlijn een bijna zero energiegebouw als volgt: “A building that has a very high energy performance. The nearly zero or very low amount of energy required should be covered to a very large extent by energy from renewable sources, including energy from renewable sources produced on site of nearby.”
Uiteindelijk bepaalt de richtlijn enkel in algemene termen wat verstaan wordt onder ‘nearly zero energy building’. De lidstaten moeten dit begrip nu nader preciseren. Vermits het energiebeleid voor gebouwen in België geregionaliseerd is, wordt dit een taak voor de regionale regeringen. Wordt bijvoorbeeld een E30-gebouw de standaard in 2020 of een E5-gebouw? In het eerste geval volstaat het de norm stelselmatig te verlagen zoals we van 2006 naar 2010 de norm hebben verlaagd van E100 naar E80. In het tweede geval zal de Vlaamse regering de norm versneld moeten verlagen.
Eerst het energieverbruik in de woning drastisch verlagen en het dan nog resterende energieverbruik in zeer belangrijke mate opwekken met hernieuwbare energie: dat is de logica die ook de nieuwe Europese richtlijn voor energieprestaties hanteert. Op het vlak van hernieuwbare energie heeft België van de Europese Unie een belangrijke doelstelling meegekregen. Het aandeel hernieuwbare energie dat in 2006 in België amper 2,6% bedroeg, moet tegen 2020 tot 13% zijn toegenomen.
Op het vlak van fotovoltaïsche panelen is België alvast goed op weg. Van 2008 tot 2009 is hun vermogen meer dan verviervoudigd van 71 tot 304 MWp (MegaWatt peak). De winderenergiecapaciteit steeg van 2008 tot 2009 met circa 50% van 384 tot 563 MWp. Maar op het vlak van windenergie scoort België bijvoorbeeld veel minder goed dan Nederland waar de beschikbare capaciteit aan windenergie al in 2008 aan 2.225 MWp zat. Op het vlak van geothermische warmtepompen zit België volgens de recentste gegevens aan 1.300 installaties per jaar tegenover circa 4.100 per jaar in Nederland. Volgens de VCB is dit verschil onder meer te wijten aan het feit dat in Nederland warmtepompen vaker dan in België bij collectieve woonprojecten worden ingezet.
Heel wat van de voormelde voorbeelden en cijfers heeft de VCB verzameld naar aanleiding van de multimediavoorstellingen die zij heeft georganiseerd onder de titel ‘Ecobuild 2010’. Onder die naam hebben intussen al voorstellingen plaatsgehad bij de Katholieke Hogeschool Kempen te Geel, bij de Hogeschool Gent en in het provinciehuis te Hasselt. In het najaar is tot slot nog een voorstelling in West-Vlaanderen gepland.
Als eerste kwamen de Kempen aan bod. Deze regio beschikt met haar hoog tewerkstellingspercentage in de bouw, de aanwezigheid van wetenschappelijke instellingen zoals VITO (de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), haar strategisch plan rond duurzame ontwikkeling en haar uitstekende ondergrond voor de plaatsing van grondwarmtepompen over vier belangrijke troeven om duurzaam te bouwen.
Op de Ecobuild-avond te Geel legde Dirk Fransaer, afgevaardigd bestuurder van VITO, voor een 200-tal deelnemers uit dat VITO actief is op drie terreinen: heel specifieke bouwtechnische oplossingen aanreiken (bijvoorbeeld zomerwarmte capteren en hergebruiken voor verwarming), het omzetten van bouwafval onder de Vlarea-wetgeving waarbij ze de certificeringinstelling Certipro oprichtte en het Quarea-certificeringsysteem creëerde, en het ganse denken over ‘closing the cycle’.
Daarnaast werkt VITO rond smart grids of intelligente elektriciteitsnetwerken. “We hebben ook een theoretisch concept ontwikkeld om op een visueel en auditief niet-hinderlijke manier aardwarmte naar een elektriciteitscentrale te brengen tussen 5 en 10 MW. Theoretisch werkt het. Nu moeten we beginnen te boren. China en de Verenigde Staten werken aan dezelfde oplossingen voor dezelfde problemen. Als we even achterover leunen, steken ze ons zo voorbij”, waarschuwde hij nog.
Bij de K.H.Kempen zijn zeventig van de zowat 750 medewerkers bezig met onderzoek, van wie een twintigtal in één van de speerpunten, energiemanagement. Ook de studenten worden daarbij betrokken. “We verrichten onderzoek op vraag van de sector, maar ook gesubsidieerd. Op termijn leidt dat tot een kwaliteitsverbetering voor ons onderwijs", stelde Maurice Vaes, algemeen directeur van de K.H.Kempen. Met de ondersteuning van de K.H.Kempen heeft een Geelse bouwfirma onlangs een E9-modelwoning met nul energiekost kunnen realiseren, dankzij een combinatie van technieken zoals warmte-accumulerende vloeropbouw, geautomatiseerde zonnewering, warmtepompen, zonnepalen, balans ventilatie en een dampkap met warmteterugwinning.
In Limburg presenteerde de VCB haar eco-Keynesiaanse visie naar aanleiding van de jaarvergadering van de Confederatie Bouw Limburg. Ook hier was de opkomst groot. In 2009 ging het aantal vergunde flats er in Limburg met 21% op achteruit en het aantal vergunde huizen met 11%. De daling was groter dan gemiddeld voor Vlaanderen. Om de bouw op langere termijn terug op de sporen te krijgen rekent de Confederatie Bouw Limburg op de gunstige effecten van de groene bouweconomie. De Vlaamse regering wil hier sterk op inzetten met de vestiging van ‘Energyville’ in Limburg.De provinciale overheid doet dit bijvoorbeeld via de sensibiliseringscampagne ‘Limburg Isoleert’.
Op de voorstelling in Hasselt hebben Steunpunt Dubolimburg en de Confederatie Bouw Limburg samen de eerste ‘Award Duurzame Woning 2010’ uitgereikt. Deze award werd overhandigd aan de architect of aannemer van de meest duurzaam gebouwde particuliere woning in Limburg. Aandachtspunten bij de beoordeling waren onder andere een goede isolatie en ventilatie, de implementatie van energiebesparende maatregelen, het materiaalgebruik en het bewonerscomfort. Uiteindelijk ging de prijs naar de eigen woning vanarchitect Davy Stroobants te Lummen.
De provincie Oost-Vlaanderen heeft als voordeel dat zij over een divers palet aan bouwopleidingen beschikt: een groot aantal secundaire scholen met een belangrijke bouwafdeling, een opleiding bachelor bouw in Aalst, twee hogescholen in Gent met een masteropleiding voor de bouw en de Universiteit Gent met een bouwdepartement.
De Ecobuild-avond te Gent stond in het teken van het plan Europa 2020 van de Europese Commissie. Dit plan wil tegelijk slimme, duurzame en inclusieve groei realiseren. De onderzoeksinspanningen moeten hoger. De economie moet koolstofarm worden. Tegelijk moeten er meer jobs komen. Bij de realisatie van Europa 2020 zullen bouw-, milieu- en energiebedrijven en -opleidingen een cruciale rol kunnen vervullen.
Op de Oost-Vlaamse Ecobuild-avond werd duidelijk dat duurzaam bouwen nu al een belangrijke rol speelt op alle opleidingsniveaus. De leerlingen van het 7de jaar Bijzondere Schrijnwerktechnieken van VTI Aalst werken aan laag energie dakconstructies. De praktische oefeningen aan het Don Bosco Instituut in Sint-Denijs-Westrem gaan al helemaal in op het vermijden van koudebruggen. Aan de KaHo Sint-Lieven testen docenten en studenten de luchtdichtheid van allerlei nieuwe materialen. Zij onderzoeken ook of nagroeibare bouwmaterialen, zoals hennep, aan de bouwtechnische eisen kunnen voldoen.
Luc Eeckhout, architect en docent aan de Sint-Lucas Hogeschool, waarschuwde dat de menselijke voetafdruk sedert het midden van de jaren ’80 de biocapaciteit van de aarde is gaan overschrijden en nog elk jaar groter wordt. Uit satellietfoto’s blijkt dat België een van de meest vervuilende plaatsen op aarde is. Gebouwen zijn verantwoordelijk voor 40% van de globale CO2-uitstoot. Zij moeten duurzamer worden.
Maar Luc Eeckhout pleitte voor een brede duurzaamheid. Energie is slechts één aspect. De andere aspecten zijn de inplanting van het gebouw, de bereikbaarheid, het natuurlijk milieu, de waterhuishouding, het grondstoffengebruik, de leefbaarheid en toegankelijkheid tot zelfs de inbedding in samenleving en economie. Om met minimale kosten tot een maximale duurzaamheid te komen heeft hij een vierstappenplan uitgewerkt. Opvallend daarbij is dat de goedkoopste ingrepen – met name de ingrepen in het concept, bijvoorbeeld op het vlak van oriëntatie – de hoogste besparingen opleveren.
Prof. Arnold Janssens van de Universiteit Gent legde de klemtoon op de verduurzaming van het bestaand patrimonium. Maar liefst 75% van het Vlaamse woningpatrimonium is gebouwd voor 1982 en is dus in belangrijke mate ongeïsoleerd. Uit onderzoek is gebleken dat twee maatregelen zowel naar energiebesparing als naar kostenefficiëntie bijzonder hoog scoren: de installatie van een condensatieketel en de na-isolatie van spouwmuren. Tegenover na-isolatie bestaat nog steeds een zekere scepsis maar de Universiteit Gent heeft de materialen onderzocht die hiervoor worden gebruikt. Uit dit onderzoek blijkt dat hun thermische eigenschappen behouden blijven, dat zij in hoge mate waterafstotend zijn en dat zij tegelijk een afdoende oplossing bieden voor bestaande koudebruggen.
Prof. Patrick Ampe van de Hogeschool Gent vertelde over zijn betrokkenheid bij een Europees project waarbij de energieprestatieregels van uiteenlopende lidstaten met elkaar worden vergeleken. Het viel hem op hoeveel verder de Scandinavische landen maar ook een aantal Oost-Europese lidstaten staan en meer dan Vlaanderen rekening houden met bepaalde aspecten, zoals de luchtdichtheid.
De laatste etappe van de Ecobuild-roadshow van de VCB was West-Vlaanderen. Op haar roadshow wou de VCB niet alleen beklemtonen dat de bouw uitzicht biedt op duurzame jobs maar ook dat de bouwopleidingen in de secundaire scholen perspectief bieden op verdere studies. In vier Vlaamse provincies kunnen afgestudeerden uit het secundair bouwonderwijs hun studies vervolgen via een bacheloropleiding. Enkel in West-Vlaanderen wordt nog geen bacheloropleiding voor de bouw aangeboden terwijl precies in deze provincie meer dan in de andere provincies jaarlijks een groot aantal jongeren uit bouwstudierichtingen op technisch en beroepssecundair niveau afstuderen.
Namens de Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende stelde Luc Boehme dat zijn school deze vraag naar een bouwbachelor in West-Vlaanderen volledig ondersteunde. Tevens lichtte hij een aantal van zijn onderzoeksprojecten rond duurzaam bouwen toe. Zo werd onder de titel Recy-M-blok onderzoek verricht naar de vervaardiging van metselstenen uit cementgebonden metselwerk- en mengpuingranulaten. Onder de titel ReCycle werd een studie uitgevoerd over het gebruik van secundaire grondstoffen, in het bijzonder van metselwerk- en mengpuingranulaten, in de aanleg van afgescheiden fietspaden. Het project VALRECON20 betreft de valorisatie van grove betonpuingranulaten in beton met als doel na te gaan in welke mate een hoog vervangingspercentage van grove betonpuingranulaten mogelijk is in een type van stortbeton dat relatief weinig eisen stelt en waar er voldoende vraag naar is. Het project RecyFlowScreed onderzoekt het hergebruik van puingranulaat als vervanger van zand in cementgebonden gietdekvloeren.
Marc Jacobs en Patrick Gryson van de bachelor Toegepaste Architectuur van Howest gaven aan hoe zij eraan denken de Howest-campus van Brugge volgens de diverse duurzaamheidscriteria te ‘upcyclen’. Twee reportages – een over VTI Roeselare en een over VTI Kortrijk – toonden aan hoe secundaire scholen bij de leerlingen de principes van duurzaam bouwen kunnen overbrengen, onder meer via maquettes en bouwprojecten op reële grootte. Van groot belang is dat deze principes ook doordringen tot de leerplannen want dan worden al de scholen – niet alleen enkele voorlopers – verplicht duurzaam bouwen aan bod te laten komen. Ivan Demeyer van het VVKSO gaf aan dat het vrije onderwijsnet hier effectief werk van maakt.
De bouw staat niet voor een evolutie maar voor een revolutie. Dat bleek ook uit de lezing tot slot van de West-Vlaamse Ecobuild-avond door prof. Jos Lichtenberg van TU Eindhoven. Hij is voorzitter van de Nederlandse stichting Slimbouwen die pleit voor een gans andere aanpak van ruwbouw en installaties. Gewoon verder voortbouwen op tweeduizend jaar bouwgeschiedenis is niet langer mogelijk.